Hoofdstuk 4: Het Zelf (pp. 95–137)
Waar gaat het over?
Mensen construeren het zelf-concept op ongeveer dezelfde wijze als dat men zich een indruk vormt van anderen. Volgens de zelfperceptie theorie kijken ze ook naar hun eigen gedrag om hun eigenschappen te bepalen. Men gebruikt ook gedachten en gevoelens en andermans reacties. Er zijn echter verschillen in hoe we onszelf en anderen waarnemen, leidend tot actor–observer verschillen in attributie. Zelfkennis is opgebouwd rond meerdere zelf-aspecten, die niet altijd een coherent geheel vormen, maar door selectiviteit tot een coherent geheel gevormd worden.
De twee belangrijkste zelf-evaluatie motieven zijn het zelfaccuraatheid motief en het zelfverheffing motief. We streven naar een zo accuraat mogelijk zelfbeeld, maar we willen ook een zo hoog mogelijke zelfwaardering. Zelfwaardering kan namelijk dienen als buffer tegen bedreiging van het zelf.
We streven naar een coherent zelf-concept and verwerken informatie op een manier die deze behoefte aan consistentie dient. We maken appraisals (inschattingen) van zelf-relevante gebeurtenissen en de oorzaken hiervan, welke leiden tot verschillende reacties. De Zelfdiscrepantie theorie beschrijft hoe mensen zichzelf vergelijken met interne standaarden, wat zorgt tot het nemen van actie. Zelfbewustzijn kan discrepantie benadrukken. Het niveau van self-monitoring bepaalt of we aan zelf-expressie of aan zelf-presentatie zullen doen.
Wanneer we geconfronteerd worden met bedreiging van het zelf, hebben we verschillende coping-strategieën (strategieën om met de dreiging om te gaan) ter beschikking. Welke strategie het beste is hangt af van de soort dreiging en van persoonlijke eigenschappen, zoals de hoogte van de zelfwaardering.

